|
Bert en ik vlogen met Turkish Airways van Schiphol via Istanbul naar Tbilisi, de hoofdstad van Georgië. Ons vliegtuig landde op de christelijke tijd van 03.00 uur 's nachts op Tbilisi Airport, dat op zo'n 20 minuten rijden van de stad ligt. De laatste stadsbus was al dik en breed vertrokken, dus zagen wij ons overgeleverd aan de taximaffia. Gelukkig was één schriel mannetje bereid ons voor 10 DM naar de stad te rijden. Uitgeput namen wij bij hem in de auto plaats. Zodra hij echter doorkreeg dat wij onbekenden waren in zijn stad, steeg de prijs van de nachtelijke taxirit door de nauwelijks verlichte straten pardoes naar 100 Mark. Verbouwereerd lieten wij ons onverwijld bij het duurste hotel van de stad afzetten en betaalden hem - na een fikse ruzie - 10 dollar. Vanaf het hotel namen wij een officiële taxi, die ons naar een hotelletje bracht waar we voor de schappelijke prijs van 50 dollar p.p. om 5 uur 's ochtends ons bed in konden duiken. Dat bed sliep heerlijk, maar op dit gulzige uitgavenpatroon was ons budget helaas niet berekend. De kille straat lonkte reeds. Gelukkig konden we de volgende dag via de receptioniste van ons hotel een adresje regelen van mensen bij wie we wel in huis mochten wonen. Deze mensen, Gotsja en Nana, zijn onze Georgische vrienden tot in de eeuwigheid geworden. Reeds op de eerste avond van onze kennismaking vloeide de wodka. Gotsja en Nana bezaten een éénkamerappartementje buiten het centrum, maar vlak bij een metrohalte, zodat Bert en ik slechts een half uur nodig hadden om de Rustaveli te bereiken, de centrale straat waar naar hartelust geflaneerd kan worden. Dit huisje werd onze uitvalsbasis voor de komende twee weken.
Een culinaire knaller in Georgië is de chatsjapoerrie (zeg maar
een rond Turks brood, helemaal gevuld met kaas, gloeiendheet uit de oven).
Triviale Hollandse woorden als "etenstijd", "ik heb honger", of "valt er
nog wat te kanen?" werden in ons vocabulaire alras vervangen door de klagende
uitroep: "Chatsjapoerrie!". De minimale dosis bedroeg: 2 stuks per dag.
Op de avond van de tweede dag, ons buikje chatsjapoerrie-rond, namen
wij plaats in de nachttrein naar Batumi. Slingerend tussen het prachtige
dal tussen de Kaukasus in het noorden en de Kleine Kaukasus in het zuiden,
reed onze intercity met een duizelingwekkende snelheid van 30 km/h naar
de Zwarte Zeekust. Om 7 uur ´s ochtends arriveerden we in de voorstad
Machinjauri. Hier moesten we de trein verlaten omdat Batumi 'tijdelijk'
per trein onbereikbaar is. Een taxi reed ons naar de stad. Links zagen
we vervallen sanatoria (ook hier af en toe bewoond door vluchtelingen),
rechts industrie en de blauwe zee.
Na twee dagen zijn we geheel uitgerust en keren vol goede moed terug naar Tbilisi. Hier wacht ons een nieuwe zenuwslopende confrontatie: we hebben namelijk kaartjes in de wacht gesleept voor de zeer belangrijke EK-kwalificatiewedstrijd Georgië - Griekenland. In het prachtige stadion van Dinamo Tbilisi zien we die avond onze helden geheel tegen de verhoudingen in onderuit gaan tegen de laf counterende Grieken, 1-2. Het Georgische volk draagt het verlies waardig en keert niet de stad binnenste buiten. Of de zeer ruime aanwezigheid van tot de tanden toe bewapende militairen en politie hier een rol in speelt is onwaarschijnlijk. Gelaten sjokt het volk in de zwoele avond naar huis. Reeds de volgende dag wacht een nieuwe uitdaging. Met een busje vertrekken
we naar het noordelijk gelegen Kaukasusdorp Kazbegi. In de bus declameren
we vol verwachting Poesjkin en Lermontov. Dat de chauffeur ieder kwartier
zijn koelvloeistof moet bijvullen kan ons echt geen schrik aanjagen. Helaas
houdt zijn auto het na anderhalf uur voor gezien. Aan de kant van de weg
eten we een peperkoek, rustig genieten we van de zon, terwijl de chauf
onder de motorkap aan het knutselen is. Herhaaldelijk stoppen er tegemoet
komende autobusjes. Met een zorgelijke blik staren de chauffeurs ervan
onder onze motorkap, vragen een sigaret en vervolgen rustig hun reis.
In Kazbegi is het frisjes. Het dorp ligt op 1800 meter hoogte en het
is er bewolkt. In het Intouristhotel lijkt het wel of er een bom ontploft
is. Deuren bevatten geen ramen of sloten, elektriciteitsdraden hangen dwars
over de trap. Voor 5 lar nemen wij intrek in een kamer met uitzicht op
het beroemde klooster.
Vanuit Tbilisi pakken we meteen een bus (die overigens allemaal vertrekken vanaf metrostation Didube) naar het Georgische Spadorp Bordzjomi. Hier nemen we intrek in een Intouristhotel "Tbilisi". Van de ruim 250 kamers zijn er 4 in gebruik. Wij hebben geluk: onze kamer heeft zowel licht als water. Koud water weliswaar, maar wij zijn geen kniesoren. ´s Ochtends een heerlijke koude douche genomen. Die middag gaan we naar het skidorp Bakuriani. Het blijkt nog niet zo makkelijk hier te komen. De trein is al weg ("Morgenochtend 7 uur weer!") en van de bus weet niemand hoe laat hij komt. In het verlaten stationnetje zit trouwens een Stalin Memorial Museumpje. Wij besluiten met de taxi naar Bakuriani te gaan, dan weten we tenminste zeker dat we er komen. De chauffeur zet ons midden in het dorp af, wij stappen uit en trekken meteen een trui aan, want het is er frisjes. De trui hangt nog niet om onze schouders of er staat een stevig gebouwde local naast ons. "Paspoorten!", vraagt hij op weinig vriendelijke toon. Hij duwt ons een politie-ausweis onder de neus en verzoekt ons mee te komen naar zijn 'kabinet'. In dit volledig van moderne communicatiemiddelen verstoken kabinet doorploegt hij onze rugzak. "Terroristen?", vraagt hij, maar kan een lach nauwelijks onderdrukken. Wij lachen mee. Hij speurt nog wat tussen onze papieren, vraagt van welk volk wij afstammen en laat ons na het vertwijfelde antwoord "De Saksen" gaan. Bakuriani is een boerengehucht en stelt - althans in de zomer - weinig voor. Na een uur vertrekken we weer, ditmaal met de trein. Dit treintje is een belevenis op zich. Niet alleen omdat hij langs afschrikwekkende hellingen naar beneden scheert, over gammele bruggen en door dichtbegroeide bossen, maar met name omdat hij over een afstand van een kleine dertig kilometer maar liefst twee uur doet! Die avond geeft de hotelkraan opeens geen water meer: we poetsen onze tanden met Fanta en ook onze uitwerpselen dienen we noodgedwongen met Fanta door te spoelen. Als de volgende ochtend de kraan nog steeds weinig meer voortbrengt dan wat gepruttel, besluiten we een douche te nemen in het plaatselijke badhuis. De verhuurder van deze tent is zo blij met onze komst dat de toegangsprijs spontaan met een factuur 10 vermenigvuldigd wordt. Met een treurig gezicht gebaart hij dat er vandaag helaas geen electriciteit is, maar hij toont zijn goede wil door voor ons een kaars aan te steken. 's Middags lopen we door het park van Bordzjomi naar de beroemde "warmwaterbron". Wij verwachten een prachtig meertje, omgeven door dennen, aan te treffen, maar onze droom lijkt in duigen te vallen wanneer onze weg abrupt eindigt naast een beek. Over het kolkende water ligt een boomstam. Wij knikken vertwijfeld met onze knieën, maar besluiten de gevaarlijke oversteek te wagen wanneer we zien dat een oud Bordzjomisch omaatje kwiek over de boomstam naar de overkant snelt. Op handen en voeten klauteren we achter haar aan. De bron valt tegen. Het warme water blijkt uit de grond opgepompt en in een pierebadje van 4 vierkante meter gespoten te worden. Kinderen spatten elkaar krijsend nat. Teleurgesteld neem ik op een rots in de beek een pose van Rodin aan. Aan het einde van de middag eten we gebakken paddestoeltjes met vis in een tentje tegenover het station. Het Argo-bier smaakt weer vanouds fris. Dan pakken we onze spullen, verlaten het hotel (omdat er niemand bij de receptie aanwezig is laten we de sleutel maar in de deur zitten) en lopen naar het Centrale Plein. Die avond komen we terug in Tbilisi. Onze gastheren staan ons blij te begroeten! Dat wil zeggen, bijna... Ze zijn alleen nog niet thuis en wij hebben geen sleutel bij ons. In een cafeetje dat nog laat op de avond open is eten we chatsjapoerrie en drinken wijn. Van ons mogen ze nog lang wegblijven! De volgende dag vertrekt Bert naar Jerevan en neem ik uitgebreid afscheid van Tbilisi.
De ouders van Nana laten mij de laatste bezienswaardigheden zien.
Met lichte pijn in mijn hart sta ik de volgende morgen om half 4 op. Gotsja, die mij naar het vliegveld
zou brengen, komt een half uur te laat. We scheuren naar het vliegveld. De douaniers nog snel even tien Mark
toestoppen, anders mag ik het vliegtuig niet in.
Nederlandstalige werken over Georgië: |